De Overeenkomst EU-Australië introduceert dierenwelzijnsvoorwaarden die verband houden met preferentiële toegang voor belangrijke landbouwproducten, waaronder rundervlees, schapenvlees en schaaleieren. In het geval van rundervlees is de toegang tot de EU-markt gekoppeld aan productievereisten die de voorkeur geven aan grasgevoerde systemen, wat aantoont dat welzijnsvoorwaarden in handelsovereenkomsten kunnen worden ingebouwd. De voorkeuren voor de export van Australisch schapenvlees naar de EU houden volledig verband met grasgevoerde productiesystemen. Bovendien komen schaaleieren alleen in aanmerking voor tariefliberalisering als ze voldoen aan de EU-legkippenrichtlijn, die productiesystemen zonder conventionele legbatterijen vereist. Hoewel de overeenkomst met Australië niet zonder beperkingen is, laat het zien dat de handelsovereenkomsten van de EU kunnen en moeten worden gebruikt om het dierenwelzijn in partnerlanden te ondersteunen.
Daarentegen is de Overeenkomst EU-Mercosur omvat slechts beperkte bepalingen inzake dierenwelzijn, waarbij de belangrijkste voorwaarde van toepassing is op schaaleieren. Met slechts 36 ton verhandeld in 2025 heeft dit gevolgen voor een verwaarloosbaar deel van de landbouwhandel in het kader van de overeenkomst. De meeste handel betreft producten zoals runder- en kippenvlees, waarvoor op grond van de overeenkomst geen vergelijkbare productie-eisen gelden. Dit is vooral relevant in het licht van recente onderzoekenwaarin ernstige welzijnsproblemen werden gedocumenteerd in weidegrondsystemen die rundervlees aan de EU-markt leveren, waaronder overbevolking, hittestress, beperkte bewegingsvrijheid, slechte hygiënische omstandigheden en voedingsgerelateerde gezondheidsproblemen. Deze benadering staat in schril contrast met de handelsovereenkomst tussen de EU en Nieuw-Zeeland, waar rundervlees dat op weidegronden wordt geproduceerd, om duurzaamheidsredenen expliciet wordt uitgesloten van preferentiële toegang, wat vragen oproept waarom dergelijke productiemethoden in die context als onverenigbaar worden beschouwd, maar wel in aanmerking blijven komen onder EU-Mercosur.
De volledig onderzoek, gedocumenteerd door Stichting Dierenwelzijn van 21 veehouderijfaciliteiten die zijn goedgekeurd voor EU-export in Uruguay, Argentinië en Brazilië, is hieronder beschikbaar:
In het geval van Mexico is de gemoderniseerde overeenkomst omvat het eerste op zichzelf staande hoofdstuk over dierenwelzijn in een EU-handelsovereenkomst, dat destijds een belangrijke stap voorwaarts betekende. Maar de overeenkomst koppelt preferentiële markttoegang niet aan dierenwelzijnsvoorwaarden. Het relatief lage niveau van de huidige handel in dierlijke producten mag deze kloof niet rechtvaardigen, aangezien handelsovereenkomsten bedoeld zijn om toekomstige handelsstromen duurzaam te maken en vorm te geven. Dit betekent dat de overeenkomst een kans mist om ervoor te zorgen dat elke potentiële toename van de handel in overeenstemming is met de voorwaarden voor dierenwelzijn.
Deze handelsovereenkomsten komen op een moment dat de EU haar wetgeving inzake dierenwelzijn aan het herzien is. Dit is een belangrijke kans om ervoor te zorgen dat de EU-normen voor dierenwelzijn van toepassing zijn op alle producten die op de EU-markt worden gebracht, ongeacht hun oorsprong. Zonder strenge importeisen op het gebied van dierenwelzijn bestaat het risico dat de handel in producten met een laag welzijn voortduurt die niet aansluiten bij wat EU-burgers verwachten. Handelsovereenkomsten kunnen ook worden gebruikt als springplank om partnerlanden te betrekken bij de vraag hoe zij deze doelstellingen kunnen verwezenlijken die zijn vastgelegd in de komende wetgeving inzake dierenwelzijn. Dit is de reden waarom duidelijke en afdwingbare importvereisten voor dierenwelzijn de kern moeten vormen van de komende herziening.



